Het voorzien in de lokale voedselvraag op de Caribische delen van het Koninkrijk is in grote mate een kwestie van ruimte, water en energie en blijft een aanzienlijke uitdaging. Het benodigde landoppervlak is groot, zeker wanneer niet alleen de lokale bevolking wordt meegenomen, maar ook het grote aantal toeristen dat Aruba jaarlijks bezoekt.
Deze bevindingen komen uit een recent onderzoek van een Nederlands instituut naar voedselzekerheid in het Caribisch deel van het Koninkrijk. In het rapport wordt ook verwezen naar het recent opgerichte CariFoodFund, waarvoor Nederland 18 miljoen euro beschikbaar heeft gesteld. Een delegatie van het fonds is momenteel in de regio op bezoek.
Volgens de nulmeting wordt volledige voedselzelfvoorziening voor de zes Caribische eilanden van het Koninkrijk als nauwelijks realistisch beschouwd. Dit komt niet doordat lokale landbouw onmogelijk is, maar doordat de beschikbare ruimte op de eilanden eenvoudigweg te beperkt is.
Voor het eerst kijkt het onderzoek niet alleen naar hoeveel voedsel lokaal wordt geproduceerd, maar ook naar hoeveel land daadwerkelijk voor landbouw wordt gebruikt. De resultaten laten zien hoe klein de agrarische sector op veel eilanden is.

Grondgebruik op de eilanden
Op Aruba wordt momenteel ongeveer 34 hectare gebruikt voor voedselproductie, goed voor circa 0,19 procent van het totale landoppervlak. Op Bonaire is dat nog minder: slechts 1,8 hectare, of ongeveer 0,01 procent van het eilandoppervlak.
Volgens de onderzoekers verklaren deze cijfers waarom volledige zelfvoorziening zo moeilijk haalbaar is. De eilanden kampen niet alleen met beperkte ruimte, maar ook met droogte, waterschaarste en hoge energiekosten. Zelfs moderne landbouwmethoden zoals hydrocultuur en klimaatgecontroleerde teelt vragen veel energie voor irrigatie, koeling en gecontroleerde productieomstandigheden.
Benodigde hectares
Het onderzoek schetst ook theoretische scenario’s voor wat volledige zelfvoorziening zou vereisen, en de schaal daarvan is aanzienlijk.
Voor Aruba zou volledige voedselvoorziening via lokale productie bijna 690 vierkante kilometer landbouwgrond vereisen, bijna vier keer het totale oppervlak van het eiland. Vooral vleesproductie is zeer ruimte-intensief: alleen rundvlees al zou meer dan 623 vierkante kilometer vergen.
Bonaire kampt met vergelijkbare beperkingen. Volledige zelfvoorziening zou naar schatting 99 vierkante kilometer landbouwgrond vereisen, meer dan een derde van het totale eilandoppervlak. Vooral vlees- en zuivelproductie leggen een zware druk op het ruimtegebruik.

Herziening van voedselzekerheid
Het rapport stelt dat deze bevindingen ook de manier waarop naar voedselzekerheid wordt gekeken veranderen. De vraag is niet langer enkel of eilanden meer lokaal kunnen produceren, maar vooral welke vormen van productie realistisch en haalbaar zijn.
Daarom richten onderzoekers zich op productgroepen met de grootste kansen voor lokale productie. Groenten, bladgewassen, eieren en bepaalde vissoorten worden als het meest haalbaar gezien. Vlees- en zuivelproductie lopen daarentegen snel tegen duidelijke grenzen aan.
Verschillende voedselprofielen
Dit verklaart ook waarom de eilanden zich ontwikkelen met verschillende agrarische profielen.
Aruba zet bijvoorbeeld sterk in op gespecialiseerde productie zoals paddenstoelen en hydrocultuur van bladgroenten. Dit zorgt voor relatief hoge productie binnen specifieke niches, terwijl het bredere voedselsysteem sterk afhankelijk blijft van import.
Bonaire laat zien hoe zelfs een klein eiland met beperkte producenten relatief hoge productiepercentages kan halen in bepaalde categorieën. Vooral sla, bladgroenten en eieren vormen daar belangrijke pijlers van de lokale landbouw.
Curaçao heeft van de eilanden het meest gediversifieerde agrarische profiel, vooral door de grotere schaal, infrastructuur en markt. Tegelijkertijd blijft het eiland voor meer dan 91 procent afhankelijk van voedselimport.

Het onderzoek plaatst ook de discussie over voedselsoevereiniteit in perspectief. Volledige onafhankelijkheid van import wordt door de onderzoekers niet als realistisch beschouwd. Import blijft volgens hen de logische basis van de voedselvoorziening op de eilanden.
Wel zien zij mogelijkheden om de kwetsbaarheid voor verstoringen in internationale toeleveringsketens te verkleinen. Lokale productie kan bijdragen aan meer veerkracht, met versere producten, een buffer in de voorraad en meer stabiliteit bij tijdelijke problemen in transport en logistiek.
Dat laatste is niet onbelangrijk. Uit het onderzoek blijkt dat de eilanden gemiddeld slechts een paar dagen voedsel op voorraad hebben als import zou wegvallen. Juist daarom wordt lokale landbouw als strategisch belangrijk gezien, ook al kan die import nooit volledig vervangen.